HOME     SCHAAKSCHOLING LES 7
OVER DE ZIEL VAN HET SCHAAKSPEL, OPPOSITIE EN JAAP STAM
Hans Böhm en Yochanan Afek publiceerden onlangs het boekje "De pion; de ziel van het schaakspel". Een boek dat met liefde geschreven is. Ik herken dat direct, ook al heb ik er alleen nog maar aan gesnuffeld.

Deze les gaat over de door Böhm en Afek bezongen pion, in het bijzonder het pionneneindspel. Binnen dat pionneneindspel richt ik me op de situatie van pion en koning tegen koning. Dat lijkt heel simpel, maar dat is het niet.

Eind 18e, begin 19e eeuw woedde er onder vooraanstaande wetenschappers een heftig debat, het zogenaamde vitalisme-debat. Punt van discussie was de vraag of de mens een "ziel" heeft en zo ja, of dat vastgesteld kan wor-
den. Waaruit bestaat de "ziel" of "levensdrift" van mensen? Is dat iets louter materieels, een chemisch proces, of is er meer? En als het een chemisch proces is, hoe verloopt dat dan? Speelt elektriciteit daarbij een rol?

Serieuze wetenschappers experimenteerden met galvanische batterijen op dode dieren en - in het geheim - op dode mensen om daar achter te komen. Richard Holmes doet hier verslag van in zijn schitterende boek "De tijd van verwondering", over de ontdekking van de moderne wetenschap. Een boek om zelfs het reizen in de Randstadrail nog aangenaam te maken.

Voor schakers is het geen vraag of het schaakspel een ziel heeft. De ziel van het schaakspel is de pion. Zoals het eindspel van beslissende invloed is op de hele schaakpartij, zo is de pion het beslissende stuk op het schaak-
bord.


Ik begin eenvoudig. Wit: Ke5, pion e4. Zwart Ke7.




top  


Hebt u wel een van het woord "oppositie" gehoord? Volgens wikipedia is dit een begrip uit zowel de politiek, de astronomie, de geneeskunde als het schaken.
Lees verder  

In het schaken gaat het bij het begrip oppositie om de positie die de witte en de zwarte koning ten opzichte van elkaar innemen. In gewoon Nederlands is oppositie zoiets als weerstand bieden of de doortocht belemmeren. Als je de oppositie "inneemt" blokkeer je met je eigen koning de koning van je tegen-
stander.

In andere sporten, zoals basketbal of rugby, is dat een gekende verdedi-
gingstactiek. Ook in voetbal komt het steeds vaker voor. Een beroemd mo-
ment is de blokkade die Jaap Stam innam tegen de snelle spits van Inter Milan, Ivan Zamorano, in 1999.
Bekijk het filmpje  

Deze actie demonstreerde de onverzettelijkheid van Manchester United in dat seizoen, waarin het team de Champions League won door in de laatste minuten van de finalewedstrijd een 1 - 0 achterstand tegen Bayern München om te buigen in een 2 - 1 voorsprong. De recente 2 - 1 overwinning van Ba-
yern op de Engelse ploeg, ook na een 1 - 0 achterstand, zal voor de Duitse supporters hierdoor zeker een extra betekenis gehad hebben.


Terug naar het schaken. Wie heeft in de diagramstelling de oppositie? Dat hangt er van af wie er aan zet is. Als wit aan zet is, heeft zwart de oppositie, zwart kan dan de witte koning blijven blokkeren. Als zwart aan zet is heeft hij een probleem. Hij moet opzij. Dat is het nadeel van schaken ten opzichte van voetballen, je moet iets doen.

Zullen we even kijken wat er dan gebeurt?
Zwart is aan zet en speelt bijvoorbeeld 1. ... Kd7. Wit gaat verder met 2. Kf6! Als zwart nu 2. ... Kd6 speelt, volgt 3. e5+ Kd7 4. Kf7! en de witte pion is niet meer tegen te houden.

Beter is de poging 2. ... Ke8. Wit neemt dan opnieuw de oppositie in met 3. Ke6. Zwart moet met zijn koning opzij naar f8 of d8, waarna wit de koning naar d7 of f7 speelt en opnieuw loopt de pion door.

Het is goed om te weten dat dit hele verhaal van de oppositie niet werkt met een randpion. Zet de stelling maar eens op met wit Kh6, pion h5 en zwart Kh8. Het maakt niet uit wie er aan zet is, de stelling is remise. Dat komt omdat de witte koning er niet langs kan, het veld i7 is nu eenmaal niet be-
schikbaar op het schaakbord. En het opschuiven van de witte pion helpt ook niet, omdat de zwarte koning evenmin weg kan en dus pat gezet wordt.

Even terug naar de diagramstelling. Wit weet niet hoe het moet en speelt na het zwarte 1. ... Kd7 2. Kd5. Zwart gaat verder met 2. ... Ke7 en wit speelt 3. e5??. Nu kan zwart remise maken met 3. ... Kd7! 4. e6+ Ke7 5. Ke5 Ke8! Of wit nu 6. Kf6 of 6. Kd6 speelt, het maakt niet uit, zwart speelt Kf8 of Kd8 en wit komt niet verder. Na 7. e7+ Ke8 moet wit de pion loslaten of met Ke6 zwart pat zetten. Probeer het maar uit.


top  


We gaan een stap verder. Behalve de gewone of "rechte" oppositie is er ook de zogenaamde "verre" oppositie. Nu wordt het in één klap een stuk moei-
lijker, let dus goed op. Wit Ke1, zwart Ke5, pion c7.




Dit is een heel prettige stelling voor zwart. Waarom? Omdat zijn pion nog op c7 staat. Daardoor heeft hij een paar "wachtzetten" achter de hand en kan hij altijd de oppositie verkrijgen. Ik geef twee voorbeelden, een waarbij wit begint en een waarbij zwart begint.

Wit begint.
1. Kd2 Kd4 2. Kc2 c6! 3. Kd2 c5! 4. Kc2 Kc4 (zwart neemt de rechte opposi-
tie in) 5. Kd2 Kb3 6. Kc1 Kc3 7. Kd1 Kb2 8. Kd2 c4 en zwart wint.

Zwart begint.
1. ... Kd4 2. Kd2 c5! en zwart heeft dezelfde stelling bereikt en wint!


top  


Het volgende diagram. Wit Ke1, zwart Ke5, pion c5.




Zou dit echt verschil uitmaken? Jazeker. Maar wit moet het wel goed spelen. Wit begint met 1. Kd1! Nu neemt wit de oppositie in als zwart 1. ... Kd4 speelt door 2. Kd2! (na 1. ... Ke4 speelt wit 2. Ke2 of zelfs 2. Kc2, dat is de "schuine" oppositie). Een vervolg kan zijn (na 2. Kd2): 2. ... c4 3. Kc2 c3 4. Kc1! (die zet is steeds belangrijk!) 4. ... Kd3 5. Kd1 en het wordt remise.

Nog een laatste zwarte poging (vanuit de diagramstelling). Wit begint met 1. Kd1, maar zwart "hapt" niet en speelt 1. ... Kd5. Nu volgt 2. Kc1! Omdat de zwarte pion op c5 staat kan zwart niet meebewegen en moet hij de oppositie opgeven. Beste poging is nog 2. ... Ke4, maar wit reageert met 3. Kc2! (de zwarte koning mag niet op d3 komen) en het is weer remise. Bijvoorbeeld: 3. ... Kd4 4. Kd2 c4 5. Kc2 enzovoort.

Ik vind het wel genoeg voor deze les. Mijn advies: schaam je er niet voor als je het niet helemaal snapt, maar probeer het door oefenen onder de knie te krijgen.


Op de agenda staan nog lessen over het matgeven met loper en paard, over zelfkritiek (essentieel voor een goede schaker, maar o zo moeilijk) en een laatste les over de schoonheid van het spel.


© 2010  Jan Willem Duijzer

top  


Inleiding  

Schaakles 1  
Schaakles 2  
Schaakles 3  
Schaakles 4  
Schaakles 5  
Schaakles 6  
Schaakles 7
Schaakles 8  
Schaakles 9  
Schaakles 10  
Schaakles 11  
Schaakles 12  
Schaakles 13  
Schaakles 14  
Schaakles 15  
Schaakles 16  
WIL JE REAGEREN?
Jan Willem Duijzer stelt een inhoudelijk reactie op de artikelen zeer op prijs.

Natuurlijk kunt je hem ook vragen stellen over de behandelde onderwerpen.

mailJan Willem Duijzer